De goede herder

Er was eens een herder. Hij had honderd schaapjes. Hij wandelde door de bossen, over de heide, in het gras om ze te weiden. Een trouwe hond vergezelde hen. Ze waren erg gelukkig en niet bang, wel nieuwsgierig, waardoor er nogal eens een schaapje afdwaalde. De herder gaf een seintje aan zijn hond en hij ging het afgedwaalde schaapje terug halen. Zo graasden ze verder en verder. Als ze van plaats verwisselden, telde de herder voor de securigheid al zijn schaapjes, voordat ze vertrokken. Op een keer telde hij er maar negen en negentig. Hij dacht dat hij zich vergiste en telde opnieuw. Maar weer kwam hij tot 99. Hij was bezorgd en nam het zichzelf kwalijk dat hij niet goed opgelet had. Daarom gaf hij instructies aan zijn hond om op de negen en negentig te passen en ging kijken naar waar ze eerder waren. Hij zocht net zolang tot hij ook die ene terug vond. hij luisterde goed en ja… daar hoorde hij zachtjes geblaat in de diepte. Hij daalde af, de barricades trotserend en pakte blij zijn verloren schaapje in zijn armen. Hij nam het op zijn schouders, zodat het geen wonden zou oplopen en ging weer naar zijn kudde, waar de anderen, onder toezicht van de hond hem verwachtten. Wat waren ze allemaal blij dat ze weer één kudde waren en er niemand achter hoefde te blijven. ze blaatten van blijdschap hun schapenlied. De hond blafte mee en de herder speelde op de harp.